Liever dood dan slaaf

In de broeierige hitte boven de Afsluitdijk hangt een vele meters hoog gordijn van miljarden muggen. Door de thermiek golft het onophoudelijk  van links naar rechts. Wanneer zijn geboorte- grond opduikt, draait mijn vriend en bioloog Auke Bijlsma het raampje van zijn auto open en zingt uit volle borst het alternatief Fries Volkslied:

Der’t de dyk it lân omklammet lyk yn memme earm har bern, der’t de wylde sé jamk flammet om in hap ùt Friso’s hern,
der’t de stiennen man syn eagen stoarje lit oer fjild en strân,
der’t men eanget foar gjin weagen, der is’t leave Heitelân,
der’t men eanget foar gjin weagen, der is’t leave Heitelân.

Waddendijk bij exbierumZomaar een warme zomeravond in Nederland, vol af en aan vliegende meeuwen. Aan de voet van een bijna tien meter hoge dijk slaan de golven zachtjes op het land. Achter de dijk verscholen ligt Sexbierum en verder weg al die andere dorpen, afgeschermd door hoge bomen, te midden van akkervelden. Dichterbij hou- den schapen het dijkgras kort. Zo nu een dan een windvlaag waarop de krijsende vogels omhoog surfen. Gezeten op zwarte basaltkeien vertelt Auke Bijlsma hoe hij hier in Sexbierum opgroeide.

Dat kijken over de Wadden roept bij mij altijd veel emoties op. Daar kan ik tranen van in de ogen krijgen. De zee die almaar haar gang gaat, iedere seconde anders is. Het is een privilege om ernaar te kijken en er zo nu en dan overheen te varen. Als je je eraan overgeeft, ga je er helemaal in op. Dat voel ik ook als ik hier in de richting van de ondergaande zon zwem.  Je bent volledig afhankelijk van het water. Je mag erin zwemmen, maar je moet altijd opletten, het is een oerkracht. Ik ben weleens van Den Helder naar Texel gezwommen, begeleid door volgbootjes. Dat gaf een enorm gevoel van vrijheid, het gevoel van opgenomen te zijn in die immense zee. Als je hier in het water ligt te drijven en je kijkt naar de
lucht, of je zit hier aan de kant, dan verveel je je nooit. De getijdenwerking en de wind die iedere keer anders zijn; ze functioneren autonoom, volstrekt onafhankelijk van de mens. En als het streng vriest ligt het hier helemaal vol met ijsschotsen. Het geluid dat de zee dan maakt  is ook zo magisch. Eerst is het doodstil en dan ineens begint de stroom te trekken en komt er uit de richting van de pieren een heel
groot geruis uit zee en gaan al die schotsen bewegen en tegen elkaar opkruien, bijna alsof de zee begint te roepen. De schotsen komen naar je toe.
In de herfst kan je je hier op de dijk met een noordooster- storm nauwelijks staande houden. Je ziet dan die enorme buien uit de zee opkomen, die geweldig grote stapelwolken die na een halfuur met een enorme windkracht over je heen trekken. Dat vind ik prachtig om te zien. Het geeft een heel sterk oergevoel. Het is niet voor niets dat mensen altijd naar de kust trekken en graag over water uitkijken.
Ik weet nog dat mijn vriendin – ze is overleden maar ze leef- de vroeger in Afrika – zwarte kinderen uit het binnenland van Afrika meenam en ze voor het eerst in hun leven de zeeliet zien. Ze kon dat heel goed beschrijven. Het maakte een verpletterende indruk op ze en ik kan me dat heel goed voorstellen...

Wat mij ook altijd intrigeert is wat er allemaal ín het water leeft. Ik heb hier vlakbij weleens een zeehond zien zwem- men. Ik viste hier soms. Als je over de zee uitkijkt, dringt zich het fascinerende besef op dat al dat water leeft. Als je
hier bij deze pier even een steen optilt, dan ontdek je dat het daaronder krioelt van het leven. Fascinerend. En we weten zo ontzettend veel van de zee nog niet. We weten iets van ongeveer 200.000 soorten over de hele aardbol; die zijn beschreven, maar er leven waarschijnlijk een paar miljoen soorten. De schattingen lopen uiteen van 1 tot 10 miljoen soorten, die we helemaal nog niet kennen. Bijvoorbeeld de grootste soort, de reuzenpijlinktvis, die wel twintig meter lang kan worden; die is nog nooit levend gezien. Maar we weten wel dat ze bestaan, want we hebben enorme afdrukken van hun tentakels gezien op de huid van potvissen, die op ze jagen in de diep-  zee. Ook dat vind ik iets magisch: al die vreemde vormen.
Het leven is ook in zee ontstaan.  Dankzij het water is op aarde leven mogelijk. Dat kan alleen in heel bepaalde omstan- digheden. Als water bevriest is leven nauwelijks mogelijk en evenmin als water kookt. Daartussenin moet al het leven
zich afspelen. Het is bijzonder uniek dat dit alles op aarde is ontstaan.  En de zee bepaalt ons klimaat, bepaalt voor een belangrijk deel de temperatuur op aarde, zonder al dat water zou het veel te warm zijn. Het leven in zee heeft ervoor gezorgd dat er een atmosfeer om de aarde is die zuurstof  bevat en daardoor ozon, waardoor we beschermd zijn tegen ultraviolette stralen. De watermassa heeft ook de juiste hoeveelheid CO2 in de lucht bepaald, waardoor het warm genoeg is en het leven op aarde als het ware wordt beschermd. Dat is zo’n uniek en fijn mechanisme, dat we nu pas beginnen te snappen hoe het systeem aarde functioneert. Pas de laatste tien, twintig jaar beginnen we dat met behulp van satellieten en computers een beetje te begrijpen. Als bioloog volg ik de ontwikkelingen op de voet en het is magisch om te zien hoe snel dat gaat. Desondanks is er nog zo ontzettend veel dat we niet weten.

Kijk, nu breekt de zon ineens door. Kijk eens hoe prachtig die schijnt, en zie je hoe het zonlicht in miljarden stukjes uiteen valt op het wateroppervlak. Schitterend! En in een fractie van een seconde is het weer weg. Je kunt veel dingen in geld uitdrukken, zelfs de schade die de natuur  wordt aangebracht is voor een deel te berekenen, zoals ook de waarde van ecosystemen zijn uitgerekend, maar ervaringen van schoonheid of van liefde zijn niet te berekenen. Onschatbaar is de liefde voor je vrouw of voor je vrienden of voor de natuur. Dat kun je alleen maar ervaren...
Uit onachtzaamheid is de mens er heel lang van uitgegaan dat de zee alles kon absorberen en dumpten we er dus al onze rotzooi in. Maar inmiddels weten we dat ook de zee een kwetsbaar systeem is. Daaruit zullen we consequenties moeten trekken door een voorzorgsprincipe toe te passen. Dat beginsel is ontwikkeld door zeeonderzoekers, die beseften dat het onmogelijk is precies het effect te meten van alles dat we in het water smijten. Als je weet dat zo’n klein lapje grond als Nederland de derde agrarische producent ter wereld is, na de Verenigde Staten en Frankrijk, dan is het niet moeilijk je te realiseren dat dit natuurlijk helemaal niet kan. We moeten gigantische hoeveelheden veevoer en kunstmest van buitenaf halen om vlees en melk te produceren. Slechts zo’n 25 procent wordt daadwerkelijk omgezet in een product, de rest blijft achter als meststoffen. Nu merken we dat dit fout afloopt. Het systeem staat op springen.

Liauckama StateWe drinken koffie in het restaurant van de Liauckama State, de slotboerderij vlak bij Sexbierum, gelegen op het voormalig bezit van een oud en voornaam maar uitgestorven Fries geslacht, de Liauckama’s, eeuwenlang heer en meester van het omliggende land, die hier zetelden in een kasteel. De familie  wordt voor het eerst genoemd in 1097, toen de neven Sicco en Eelco onder bevel van Godfried  van Bouillon deelnamen aan de eerste kruis- tocht. Eelco sneuvelde in het heilige land, Sicco raakte gewond en werd door Godfried tot ridder geslagen.
In 1824 werd het kasteel gesloopt omdat de onderhoudskosten niet meer konden worden opgebracht. Wat overbleef van de feodaliteit in dit deel van Friesland zijn de oude poort en een slot- gracht met bijbehorende bomensingel. Auke Bijlsma wijst me op de lange rechte oprijlaan van Liauckama State:

Die kruist nu een veel later aangelegde weg die op een bepaald punt net over het land van mijn vader liep. Dat kwam wel goed uit, zo kon hij een stukje land verkopen, waardoor mijn ouders wat extra geld kregen, want ze hadden het niet breed. Ik kon daardoor in de jaren zestig naar de middelbare school en later naar de universiteit. En mede doordat we een beurs konden krijgen, gingen ook mijn broers en zusjes studeren. Dat was daarvoor ondenkbaar.
Veel van mijn ooms en tantes zijn vanwege de armoede gedwongen geweest om te emigreren. Vroeger was het meteen na de lagere school het land op. Mijn vader moest al op zijn elfde naar de boer om te werken. Toen hij later zelf een klein boerenbedrijfje bezat, wilde hij absoluut geen vee hebben. Mijn vader had een hekel aan melken overgehou- den aan de tijd dat hij als kind achter de koeien aan moest. Mijn ooms en tantes zijn vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog naar Canada en Californië geëmigreerd omdat er hier geen emplooi was. Ze begonnen daar als gewone arbeiders, maar wisten zich op te werken, en een deel van hen heeft nu een landbouwbedrijf en ook hún kinderen hebben gestudeerd. Vorig jaar hadden we een reünie van de hele familie en toen realiseerde ik me pas hoe ingrijpend de veranderingen de laatste vijftig, zestig jaar zijn geweest. Studeren was er voor mijn vader in zijn tijd helemaal niet bij. Mijn grootvader overleed al vroeg, dus moest hij samen met een paar broers de kost voor het gezin gaan verdienen, want ze waren met z’n elven. Niet dat ze ongelukkiger waren omdat  ze niet gestudeerd hadden, geenszins. Het was bij mijn grootmoeder altijd een hele gezellige boel, ze was buitengewoon gastvrij en mijn ooms en tantes, neven en nichten hebben allen een, laat ik zeggen, optimistische, opgeruimde instelling. Onze ouders hebben ons altijd gestimuleerd om te studeren. Als je een kans kreeg moest je die grijpen. Ik ben ervan overtuigd dat als mijn moeder in de huidige tijd had geleefd ze naar de universiteit zou zijn gegaan. Absoluut. Ze had op een gegeven moment haar middenstandsdiploma  gehaald, maar mijn grootvader vond dat ze niet verder hoefde door te leren. Ze heeft mijn zusters altijd heel erg gestimuleerd om opleidingen te volgen. In die tijd was de droom  van mijn ouders dat hun kinderen onderwijzer of onderwijzeres zouden worden.
Ik ben begonnen op de mulo. Daar heb ik hard leren werken. En toen kwam de hoofdonderwijzer van het dorp langs en hij zei tegen mijn ouders: ‘Die jongen heeft allemaal negens, die moet je naar de hbs sturen.’ Daar hadden mijn ouders zelf nog niet aan gedacht. Op die manier ben ik na twee jaar mulo op de hbs terechtgekomen. En na het eindexamen van de hbs had ik zelf bedacht dat ik zou gaan studeren. Gelukkig waren er in die tijd beurzen.

Ineens vliegt er een roofvogel uit een boom op, die rakelings over onze stilstaande auto scheert. Opgewonden reageert Auke: ‘Moet je kijken, moet je kijken, een buizerd, denk ik. Dat is fantastisch, zeg. Ja, het is een buizerd, precies vóór ons. Kwam zo uit die boom daar en dat vlak bij mijn vaders land.’ Na de roofvogel een paar minuten met een verrekijker te hebben bestudeerd, vervolgt hij zijn verhaal:

We hadden het over onderwijs en leren als een vorm van bevrijding. En dat zat er ook bij de oude socialisten heel sterk in. Studeren deed je niet alleen om een bepaalde positie te bereiken, daar ging het in eerste instantie niet om, maar om je talenten te ontwikkelen en om te leren van andere dingen te genieten, om je zicht op de wereld te verbreden. Ik ben net een biografie aan het lezen van Henri Polak, medeoprichter van de SDAP. Het is frappant om te zien hoe men in die tijd, zo rond het begin van de twintigste eeuw, al intensief bezig was met natuurbescherming en ook met culturele zaken als monumentenzorg. Ze waren actief zowel in de oprichting van vakbonden en politieke partijen als in natuur en cultuur. Voor hen hoorde het allemaal bij elkaar, maar nu zijn die dingen vaak gescheiden. Toen was het onderdeel van de emancipatie van de burger.

In het hart van het dorp staat op een terp de Nederlands hervormde kerk, daterend uit de twaalfde eeuw en nog steeds gewijd aan de katholieke heilige Sixtus II. Sexbierum ontleent zijn naam aan deze paus van Griekse afkomst, die leefde in de derde eeuw na Christus. De gelovigen in deze gemeente zijn er ‘heilbegerig en gaan met velen ter kerke’, zo schreef op oudejaarsdag 2000 de Haarlemse stadsorganist Jos van der Kooy in de Leeuwarder Courant. Aan de westkant van de middeleeuwse kerk bevindt zich de winkelstraat, waar vroeger een gracht liep. Auke Bijlsma wijst:

Op de plek waar we nu staan kun je het zolderraam zien waarachter ik sliep. Hier stond een hele zware boom, die als het waaide begon te zingen. Als ik in mijn bed lag kon ik aan de boom horen of het was gaan stormen. Helaas is de gracht, een oude wadslenk, gedempt. Dat zou nu niet meer gebeuren, toen helaas wel. Als jongetje mocht  ik de torenklok wel- eens luiden. Dat ben ik ook in Amsterdam weer gaan doen: regelmatig luid ik de torenklok van de Zuiderkerk in de Nieuwmarkt. Dat is een erfenis uit mijn dorp.

De klok hier luidde ’s ochtends om acht uur, ’s middags om twaalf uur en ’s avonds om zes uur. Dan wisten de mensen die in het veld werkten dat ze naar huis konden. Als de klok om twee uur ’s middags luidde, wist je dat er iemand werd begraven. En omdat iedereen elkaar kende, wist je ook meteen wie. Zo nu en dan luiden we ook in de Nieuwmarkt  de klok wanneer bekende buurtgenoten begraven worden.
Kijk daar, die kauwtjes op de omloop  van de toren. Die hoorde ik ook als kind altijd naar elkaar roepen. Ook het feit dat er nog steeds kauwtjes  zitten toont de continuïteit.  En daaronder, rond de kerk, zie je het kerkhof, waar mijn ouders liggen. De familie van mijn vader en de familie van mijn moeder liggen naast elkaar, tot en met de overgrootvaders. Gelukkig zijn die grafstenen bewaard gebleven, die onder- houden we ook, want ik vind die continuïteit  van opeenvolgende geslachten belangrijk. Als je eenmaal met iets begint, moet je het ook volhouden, zodat de kinderen van mijn broers en zusters kunnen  zien waar ze vandaan komen, waar hun wortels liggen...
Kijk, hier zie je de steen van mijn vader en moeder. Mijn vader, Ymke Bijlsma is in ’67 overleden, toen was ik twintig, mijn jongste broer was tien. We waren met ons zevenen thuis. Mijn moeder is vier jaar geleden overleden. Daar links ligt mijn grootvader, naar wie ik ben genoemd, Auke Stoer en mijn grootmoeder. Die heb ik beiden nog goed gekend, en hier zie je de grafsteen van de overgrootvader van mijn moeders kant. En hier rechts mijn grootvader en grootmoeder van mijn vaders kant, Johannes Bijlsma en Maaike Siebesma.

We rijden verder door het uitgestrekte Friese land terwijl Auke vertelt over de ingrijpende veranderingen:

Het platteland heeft de afgelopen vijftig jaar een enorme transformatie ondergaan. Voor de Tweede Wereldoorlog werkte een groot deel van de Friezen in de landbouw, dat is in snel tempo achteruitgegaan, van zo’n 37 procent naar nu nog geen 10 procent van de totale werkgelegenheid. Een aan- zienlijk deel van de mensen die werkloos raakte, is geëmigreerd. Ook van mijn familie woont hier nog maar één neef, terwijl ik zo’n zestig neven en nichten heb. De meesten van hen wonen in Canada en de Verenigde Staten. Het waren vooral ondernemende mensen die vertrokken en dat heeft natuurlijk verstrekkende gevolgen gehad. Vroeger was het zo dat zolang men niet kon doorstuderen, de intelligente mensen in het dorp bleven en hun energie richtten op bijvoorbeeld het verenigingsleven. Maar toen ze elders gingen studeren of emigreerden, begon voor zo’n dorp een langdurige braindrain. In Friesland zelf liggen de banen voor afgestudeerden niet voor het opscheppen. Er zijn nauwelijks research-laboratoria en er is geen universiteit. Mensen die hier graag zouden willen wonen, hebben geen mogelijkheid een bestaan op te bouwen dat aansluit bij hun opleiding. Dat blijkt ook wel, de bevolkingsgroei in Friesland blijft ver achter bij die van Nederland.

Ik denk dat vanwege de emancipatie van het Fries nu veel meer mensen uit de middenklasse die taal spreken. Dat merk je ook: onderwijzers spraken vroeger geen Fries met elkaar, dat is nu wel het geval. Er zijn veel tweetalige scholen waar kinderen Fries leren. Opmerkelijk genoeg blijkt dat leerlingen vaak zo ook het Nederlands beter beheersen. Ieder jaar weer wordt een aanzienlijke  hoeveelheid boeken in het Fries uitgegeven. Daar is echt een markt voor. Friese dichters publiceren in hun eigen taal. Er wordt aan de Rijksuniversiteit Groningen Fries gedoceerd en de Friese Academie is als on- derzoeksinstituut onderdeel geworden van de Koninklijke Academie. Daar wordt veel onderzoek gedaan naar de wortels van de taal en naar de verspreiding en sociologie ervan. Daarnaast bestaat er een eigen Friese radio-omroep. Vroeger was het ondenkbaar dat een radiojournalist iets in het Fries vroeg en de geïnterviewde in het Fries antwoordde. Deze regionale ontwikkelingen worden door de Europese Unie gestimuleerd. Aan de ene kant vallen grenzen weg en aan de andere kant wordt het begrensde gekoesterd. Men is zich veel meer bewust geworden van de rijkdom en waarde van datgene wat uit de eigen streek voortkomt. En hoewel het regionalisme ontstond  vanuit een naar binnen gekeerde sfeer, wisse- len de diverse regio’s inmiddels allerlei informatie uit over financiering van regionale radio en tv, over literatuur, tweetalige scholing enzovoort, en worden dankzij Europese subsidies met elkaar in contact gebracht. Catalanen of inwoners van Bretagne en Wales laten zich in Friesland informeren en omgekeerd. Op die manier maakt het superioriteitsgevoel van het naar binnen gekeerde nationalisme plaats voor het besef dat juist het authentieke van andere volkeren waardevol is. Men realiseert zich dat dit alles in stand moet worden gehouden, te beginnen met de taal, want het was natuurlijk zo dat door de taal van de dominante cultuur die van de minderheid in de verdrukking kwam. Zo werd het als nor- maal beschouwd dat men op regionale zenders niet in de eigen taal sprak, terwijl steeds duidelijker wordt dat de eigen taal de werkelijkheid dichterbij brengt. Ikzelf heb bijvoorbeeld gemerkt dat de taal van mijn ouders mijn emoties dichterbij brengen.

Op een klamme zomermiddag staan we op het Roode Klif, een keileemheuvel, rood, niet van het bloed van de Hollandse adel die hier in de Middeleeuwen genadeloos werd afgeslacht, maar rood van geoxideerd ijzer. Het ligt ongeveer een kilometer of an- derhalf van Laaxum, het kleinste haventje aan wat eens de Zuiderzee heette. Op heldere dagen is Enkhuizen aan de overkant te zien. Een grote zwerfkei met in het Fries de tekst ‘liever dood dan slaaf ’, dient als monument, waar elk jaar op de laatste zaterdag van september de Slag bij Warns wordt herdacht. Met weidse gebaren legt mijn Friese vriend uit hoe zich de veldslag voltrok:                                

Je ziet, het loopt hier stijl af naar het IJsselmeer. Dit is een eindmorene, neergelegd tijdens de ijstijd, tien meter hoger dan het omringende land. Het is heel fijn slijpsel van rotsen, die door het pakijs zijn verpulverd.
Op 26 september 1345 kwamen twee vloten aangezeild, onder aanvoering van graaf Willem IV en die vloot met de graaf landde hier. De scheepsbemanning stak meteen de plaatsjes Warns en Laaxum in brand, maar moest vluchten voor de woedende boeren en vissers die daar vanuit de laagte kwamen aanrennen met knuppels en hooivorken en ogenblikkelijk insloegen op de Hollanders. De adellijke officieren met hun zware harnassen kwamen vast te zitten in dit toen moerassige gebied. Al snel verloor ook graaf Willem letterlijk zijn hoofd; een geweldige morele dreun voor zijn manschappen, die hem als een held vereerden omdat hij was teruggekeerd van een succesvolle kruistocht. Ondertussen was het leger van de andere vloot, die veel groter was ten noorden van Stavoren aan land gegaan. Toen ze hoorden dat hun bevelhebber was gedood, raakten ze in paniek en renden, achtervolgd door de schreeuwende Friezen die nu helemaal de smaak te pakken hadden gekregen, voor hun leven.
Uiteindelijk wist slechts een minderheid van de Hollanders aan boord te komen en naar Amsterdam te ontsnappen. In Stavoren verrees ogenblikkelijk een gedenkteken, opgebouwd van de schedels en beenderen van de verslagenen, dat er tot 1600 heeft gestaan. Het is jammer dat het is verdwenen, want als monument was dat natuurlijk veel aardiger. Het monument hier stamt uit het begin van de jaren vijftig. Kijk, daar staat het: ‘leaver dea as slaef ’, een uitdrukking die kenmerkend is voor de Friezen, die altijd sterk voor hun onafhankelijkheid zijn opgekomen. Het is ook tekenend voor hun anti-autoritaire, wat anarchistische houding: de Friezen hebben zich steeds beroepen op de vrijheidsrechten die ze van Karel de Grote zouden hebben gekregen. Die claim is vals, maar hij werkte wel; zeer tot het verdriet van andere vorsten, die naderhand nooit konden bewijzen dat Karel de Grote de Friezen helemaal geen vrijheidsprivilege had verleend. Vanaf 800 tot 1498 wisten de Friezen zo hun onafhankelijkheid te bewaren. Toen werd hertog Albert van Saksen te hulp geroepen door een van de Friese bendes die elkaar bevochten op leven en dood en werd Friesland uiteindelijk onderdeel van de Verenigde Nederlanden.
Enkele jaren geleden ontstond er nog een felle discussie over de vraag of men dat vijfhonderdjarig bestaan wel moest vieren. Sommige mensen waren er tegen vanuit de gedachte dat de Friezen toen juist hun onafhankelijkheid hebben verloren.

Hier liggen zwerfkeien die door het landijs vanuit Scandinavië zijn meegenomen. Je kunt aan het glooiende landschap van Gaasterland zien dat het opgestuwd land is. Op IJsland kun je dat proces nog steeds waarnemen aan de randen van gletsjers. Aan een landschap is de geschiedenis af te lezen. Friesland strekte zich vroeger veel verder langs de kust uit, in de vroege en hoge Middeleeuwen van het Zwin in Zeeuws- Vlaanderen tot de Wezer in Duitsland en nog wel verder, De- nemarken in. In West-Friesland is het Fries pas verdwenen nadat het gebied onder heerschappij kwam van Hollandse leenheren. De natuurlijke gesteldheid heeft een grote invloed uitgeoefend op de Friese geschiedenis. Ik vind dan ook, en dit geldt voor heel Nederland, dat schoolkinderen veel meer over de samenhang zouden moeten leren, bijvoorbeeld door het bestuderen van de ontstaansgeschiedenis van een bepaald landschap. Je ziet in het nabijgelegen Stavoren en Hindeloopen al die huizen uit de verschillende periodes waaraan je de historie kunt aflezen, de tijden van rijkdom en armoede, van rampen en oorlogen. Die samenhang is voor jongeren veel spannender dan het als los zand presenteren van droge feiten.
Landschap hangt natuurlijk ook samen met de biologische omstandigheden, met flora en fauna. Zo kun je ze tegelijkertijd iets van ecosystemen laten zien: waarom bepaalde soorten planten en beesten wel op de ene plaats en niet op de andere voorkomen. Zodra je die dingen als kind gaat herkennen, vergeet je dat nooit weer, zo weet ik uit eigen ervaring. Voordat ik naar het buitenland ga, koop ik altijd een landkaart, en lees ik over de geschiedenis. Ik bestudeer de flora en fauna en begin al na een paar dagen patronen te herkennen. Je leert dan als het ware het landschap te lezen. Zo heb ik in Zwitserland  de wegen gevolgd waarlangs de Romeinen door de Alpen trokken. Hier en daar stuit je nog op stukken Romeinse weg. Ook door de namen leer je de ge- schiedenis, bijvoorbeeld de via mala, de slechte weg, die door een nauwe, onherbergzame kloof loopt. Daarom zou je namen nooit moeten veranderen. Door de archeologie leren we hoe een cultuur zich heeft verspreid; aan de hand van muntvondsten weten we hoe overzeese contacten liepen. Bijzonder belangrijk voor ons, want in Nederland ging nagenoeg alles per schip; in onze moerasdelta kon je geen lange afstanden te voet afleggen. Er zijn hier barnstenen sieraden in de bodem aangetroffen, wat aangeeft dat er al in de vroege Middeleeu- wen uitgebreide handelsbetrekkingen bestonden met het Oostzeegebied, waar barnsteen, versteend hars, vandaan komt. Door al deze informatie in een context te plaatsen gaat geschiedenis voor kinderen leven. En de laatste tien, twintig jaar is er meer uitwisseling mogelijk dankzij het opslaan van gegevens in computers en de toegankelijkheid van internet... Hé, hoor je, een scholekster. Die hoort hier ook echt thuis, op de grens van zee en land.
Gisteren zagen we er honderden bij elkaar zitten aan de binnenkant van de dijk bij een plas water, waar die prachtige zwart-witte vogels met hun lange rode snavel een bad namen. En de zeilschepen daar geven je een idee van hoe die vloten hier eeuwen geleden naartoe kwamen. Als je heel goed kijkt, zie je nu ook vaag de contouren van de overkant... Enkhuizen.

Ik herinner me dat ik omstreeks 1953 een oom en tante met hun kinderen uitzwaaide. In die tijd ging je nog met de boot naar Amerika en je wist niet of je ze ooit weer zou zien. Het heeft wel een jaar of veertig geduurd voordat ik ze terugzag. Voor mijn grootmoeder was het vertrek natuurlijk dramatisch: daar stond ze, in de wetenschap dat ze haar kinderen en kleinkinderen nooit meer zou zien. Om de pijn te verzachten, schreef ze iedere week naar haar kinderen, en veel van die brieven zijn bewaard gebleven. De kinderen schreven regelmatig terug, vooral bij verjaardagen en feestdagen. Als je ze leest, leer je ook veel over het verleden. Ik heb bijvoorbeeld brieven van mijn ouders aan ooms en tantes ter gelegenheid van verjaardagen; brieven uit ’47 en ‘49 waarin ik voorkom  als klein jongetje van twee, drie jaar en de geboorte van mijn zusje wordt gemeld. Zo’n beschrijving van de werkelijkheid vind je anders nooit meer terug: ouders vertellen hun kinderen meestal niet hoe ze waren op twee-, driejarige leeftijd. Een van mijn neven en nichten vond die brieven en heeft ze gelukkig meegenomen.
Een paar jaar geleden heb ik samen met familieleden een eerste familiereünie georganiseerd op de Liauckama State in Sexbierum. Bijna iedereen is gekomen, meer dan de helft kwam uit Canada en de Verenigde Staten. Het was echt heel bijzonder dat we elkaar voor het eerst gezamenlijk ontmoet- ten, honderdtwintig mensen in totaal. De Canadese tak be- loofde onmiddellijk de volgende reünie te organiseren. Ik heb destijds geopperd een internetsite voor de familie te openen en een aangetrouwde neef uit Jamaica heeft inmiddels een Bijlsma-site op internet gezet, waar ook foto’s van die reünie op staan. Het is een schitterende combinatie  van nieuwe techniek en oude familiebanden, die de continuïteit bevordert. Mij verbaasde het heel erg hoeveel gemeenschappelijks er nog was. Ondanks het feit dat men volstrekt verschillende kanten is opgegaan, herken je toch bepaalde trekken in de ander. Dat maakt je ook meer bewust van je eigen specifieke eigenschappen. Op die manier leer je jezelf beter kennen. Ook al zijn we over de aardbol verspreid geraakt, er is altijd die gastvrijheid van de familie:  als het erop aankomt kan je overal terecht. Opvallend was dat het gesproken Fries van mijn geëmigreerde ooms en tantes het Fries is uit het begin van de jaren vijftig. Als je wilt weten hoe de taal een halve eeuw geleden werd gesproken, moet je dus naar Canada en de VS. Ook in hun religieuze opvattingen zijn ze blijven steken, het is het geloof van vijftig jaar geleden, nogal benauwd conservatief. Tegelijkertijd is het een slag mensen bij wie ik onmiddellijk zou onderduiken, hoewel je merkt dat ze vasthouden aan gebruiken van net na de oorlog, en dat die als het ware zijn gefossiliseerd. En als je dat ziet, begrijp je ook beter wat er met Marokkanen en Turken in Nederland gebeurt. Ook zij klampen zich vast aan wat ze destijds hebben meegenomen uit hun land van herkomst. Je snapt dan ook heel goed de generatieconflicten en je beseft dat zoiets jaren kan duren. Een tijdje geleden zag ik op tv een dame uit Marokko op bezoek gaan bij Marokkaanse Nederlanders en
die mevrouw zei naderhand dat de immigranten hier denken dat alles in Marokko bij het oude is gebleven, ‘maar wij heb- ben een ontwikkeling doorgemaakt,’ verklaarde ze. En dat zag de kijker ook. Er waren allerlei discussies op scholen in Marokko  over onderwerpen waarvan ik dacht: nou, zoiets is hier ondenkbaar in een Marokkaans gezin. Je ziet dus precies dezelfde processen bij emigrantengezinnen, of die nu uit Marokko of Nederland komen. Door mijn familie heb ik begrepen hoe dat soort mechanismen werken. Een landverhuizing is vaak ook een bijzonder traumatische gebeurtenis, een abrupte breuk met je verleden. Afgesneden van je land van herkomst probeer je nog iets vast te houden van je herinneringen, van je geschiedenis die je heeft gevormd. Dat te begrijpen is ook een interessante ervaring. Door deze universele verschijnselen leer je je eigen samenleving beter begrijpen en krijg je meer begrip voor de ander. Je beseft dat het een lange tijd gaat kosten voordat die verstarde vormen en ge- bruiken zich verder zullen ontwikkelen.

Voor mij was Amsterdam een bevrijdende ervaring. Aan het eind van de middelbare school wilde ik echt weg, ik voelde me in Friesland opgesloten. Ik was zeventien, had maar één gedachte: ik wil naar de stad en die stad is Amsterdam. Vanaf het begin heb ik me er thuis gevoeld, de Nieuwmarkt  was een soort warme jas die ik aantrok. Er gebeurde daar van alles; het bevredigde mijn nieuwsgierigheid, ik werd geconfronteerd met andere culturen. Nog steeds verveel ik me er geen moment, omdat er steeds weer nieuwe dingen gebeuren. Ook daarom ben ik zo gesteld op die stad. Tegelijkertijd weet ik dat ik behoefte heb aan geborgenheid, vandaar dat ik betrokken ben bij de stad en me er als raadslid voor inzette. Initiatieven nemen, samen met anderen. De Nieuwmarkt combineert een aantal dorpse trekken met de goede trekken van een grote stad. Men laat elkaar zijn gang gaan maar kent elkaar wel. Ik weet zeker dat als ik morgen van het Centraal Station naar de Nieuwmarkt  fiets, zeker vijf, zes mensen me zullen herkennen en groeten. Ik hou van die combinatie van dorpse en stedelijke elementen. Daaraan zie je hoeveel je meeneemt vanuit je jeugd, wat je dan toch weer zoekt in zo’n grote stad.

Fries emigrantenlied

Troch sé-en skaed en lânnen, fier fan’t Westerstrân,
tink ik mei sucht en triennen,
oan dy myn heitelân,
it wâllet troch myn herte mei ingle harpgerûs,
tink ik mei sucht en triennen, oan dy myn âlders’ hûs,
hüs, hûs, leaf âlders’ hûs,
tink ik mei sucht en triennen oan dy myn âldershüs.

uit: ‘Dat blijft geheim’ Reizen door Nederland
Uitgeverij Atlas
Amsterdam /Antwerpen

door

Stan van Houcke

Van dit hoofdstuk uit "Dat blijft geheim" heeft Stan van Houcke een boekje gemaakt dat te verkrijgen was tijdens de herdenkingsdienst in de Zuiderkerk op 30 maart 2012. Voor degenen die te laat waren om een exemplaar van deze (te) beperkte oplage te bemachtigen, hier een link om het boekje te downloaden:

Lieverdooddanslaaf.doc