Optimist met open blik. Persoonlijk interview met Auke Bijlsma

Auke Bijlsma woont op de Zwanenburgwal tegenover het Waterlooplein. Op de plek dus voor het behoud waarvan hij zich tientallen jaren heeft ingezet. Maar hij is ook als bioloog betrokken bij internationale milieukwesties en al jaren lid van de Amsterdamse gemeenteraad.

Hoe combineer je dit alles?

Het ligt in één lijn. Of je nu binnen of buiten de raad iets voor elkaar wilt krijgen, dat is voor mij hetzelfde.Auke Bijlsma op de Nieuwmarkt In een andere setting ben ik nu met dezelfde dingen bezig waar ik in 1968 ook al mee bezig was. Toen ik in die tijd aan de VU studeerde had ik onder biologen een enquête gehouden om te kijken wat we zouden kunnen doen voor het milieu en voor mensen in ontwikkelingslanden. In het tropenmuseum hebben we in 1968 het eerste grote congres van drie dagen opgezet over de verantwoordelijkheid van biologen in een veranderend milieu. Omdat ik wetenschappelijk geïnteresseerd ben probeer ik door middel van onderzoek sommige dingen te veranderen. We bemoeiden ons indertijd ook met het plan om midden in het Tjeukemeer een stad te bouwen, een villadorp; gelukkig hebben we dat tegen weten te houden. In 1974 hadden een jaargenoot en ik aanvankelijk het plan om in opdracht van het Wereldnatuurfonds naar Indonesië te reizen om te kijken of er nog sporen van de Javaanse tijger over waren. Men wist indertijd niet helemaal zeker of die tijger nu wel of niet uitgestorven was. Juist toen overkwam mij die ziekte en ik dacht, als die chemo niet aanslaat dan heb ik nog maar kort te leven, ik ga me maximaal op de Nieuwmarkt richten, daar kan ik nuttig werk doen. Die Javaanse tijger is inmiddels vrijwel zeker uitgestorven. Ook hier in de stad zijn diersoorten erg afhankelijk van wat er hier in de stad gebeurt. De populatie gierzwaluwen is door de afname van nestgelegenheid met meer dan de helft verminderd. Ik heb gezegd, we moeten zorgen dat binnen tien jaar de populatie weer op het oude peil komt. Dat kost honderd gulden per nest. Verspreid over tien jaar en over tien stadsdelen betekent dat dat er per jaar tienduizend op het budget komt. Kijk...die gedrevenheid zet je gewoon voort. Of het nu binnen of buiten de raad gebeurt, als je niets doet dan gaat het in ieder geval fout en alle kleine beetjes helpen.

Vanwaar toch jouw optimisme en die verbinding met de natuur?
Ik denk dat mijn vader door een aantal kleine dingen een grote invloed op ons heeft gehad. Als hij bijvoorbeeld een leeuwerikennest had ontdekt dan liet hij ons dat heel behoedzaam zien. Een fazantennest, daar vertelde hij eerst alleen maar over, wij mochten daar niet meteen naar gaan kijken omdat hij bang was dat het dan verstoord zou worden Het idee van medeverantwoordelijkheid voor het leven op aarde zat er al vroeg in. M’n belangstellig voor biologie stamt denk ik ook uit m’n ouderlijk huis. Mijn moeder kon prachtig tekenen, ik kan ook tekenen en dan moet je toch ook goed naar de dingen kijken. Met schoolvriendjes zocht ik vroeger vaak eieren die we beschermden met vogelhokjes en met nestbeschermers. We woonden vlakbij de Waddenzee. Als ik over de dijk heen kijk heb ik nog altijd het gevoel van... ik kan hier weg. Vrijheid. Je klimt gewoon de dijk op. Ik had altijd moeilijke voeten. Op het land heb ik me altijd moeilijk verplaatst. In het water is dat heel anders. Ik zwom de zee in, ik kende de stromen daar. Als ik ‘s avonds een heel eind naar de ondergaande zon toe zwom had ik een mateloos gevoel van vrijheid, ze hebben als ik lang wegbleef wel eens een bootje naar me uit gestuurd...M’n optimisme heeft met mijn jeugd te maken. Mijn vader had dat ook. Hij had graag timmerman willen worden maar hij moest al heel vroeg naar de boer, heeft veel te hard gewerkt en was lichamelijk versleten en veel ziek. Terwijl hij zijn laatste half jaar het ziekbed moest houden beurde hij anderen op. Hij was een heel stimulerend iemand. Dat optimisme zit wel in de Bijlsma’s. Die koppigheid komt van m’n moeders kant, die gaven niet gauw op. Meer dan helft van mijn familie is geëmigreerd, dan moet je toch een zeker optimisme hebben. Nieuwsgierigheid. Wanderlust.
Auke Bijlsma in zijn jonge jaren

Ik kon ook somber zijn. Begin jaren zeventig had ik soms het gevoel anderen niet te bereiken, alsof ik onder een glazen stolp zat ondanks goeie vrienden en vriendinnen. Op het moment dat je ziek wordt staan mensen ineens zo dichtbij, dan valt de glazen stolp in stukken. Zoiets straal jij dan weer uit. Ik kon tijdens die ziekte soms een week niet eten. Vrijdags kreeg ik dan m’n laatste chemoshot, ik voelde me belabberd en dacht: nee... morgen moet ik eruit. Maar zaterdags voelde ik binnen een paar uur al m’n krachten terugkomen, je kreeg dan ook ineens honger. Ik ging dan wel eens zo uit het ziekenhuis vandaan naar een visboer in de Kerkstraat en at gebakken mosselen. In die tijd begonnen de mensen zelfs in de tram, terwijl ze me niet eens kenden, zomaar spontaan tegen me te praten. Door die ziekte kwam je zo dichtbij de mensen te staan. Ik heb me altijd in zeer verschillende kringen bewogen waar ik dan ook weer op zeer verschillend wijze door geïnspireerd word. Zoiets is een rijkdom. Aan het ziekbed leidde dat tot heel komische situaties en tot de wonderlijkste ontmoetingen...

Nederland is een beetje een raar landje geworden, hoe kijk jij daar nu tegenaan?
Het zit in de aard van Nederlanders om verschillen onderling op te lossen, om samen te werken. De waterschappen, onze eerste democratische instituties, wisten dat al. Ook al was je het nog zo oneens met je buurman, je moest samen zorgen dat die dijk niet doorbrak want anders verdronk je alle twee. Dit zit sterk ingebakken. Ook al de verschillende godsdiensten die het altijd mordicus met elkaar oneens waren. Je moest om door de tijd te komen toch blijven samenwerken. Nooit één groep die de ander totaal kon overheersen. In Amsterdam zag je bijvoorbeeld hoe de protestanten wel de kerken overnamen, maar hoe zij tegelijk ruimte bleven geven om katholieke schuilkerken te houden, nergens een stad waar de synagoges zo groot, zo duidelijk zichtbaar zijn als in Amsterdam, iets wat door New York als voorbeeld werd overgenomen. Nederland moest het wel van de handel hebben en ook als je handelspartner een andere godsdienst had moest je wel afspraken met hem kunnen blijven maken, ook over zee. Wanneer iemand die afspraken een keer niet na kwam was je handelsrelatie stuk.

Wat ik momenteel in Nederland zie is dat men zich niet meer openstelt voor dingen van buiten, er is een teveel naar binnen gekeerde houding ontstaan. Juist hier waar van oudsher de mogelijkheden bestaan om alles naast elkaar te laten bestaan zet men er een hek omheen. Dat vind ik slecht. Ik geloof erg in het samengaan van Europa. Als Nederlands vertegenwoordiger zit ik in een programma van Europees milieuonderzoek en het is fascinerend om met 38 landen om de tafel te zien hoe een onderzoeksgemeenschap ontstaat. Het is ook wel nodig om met elkaar samen te werken. Het economisch zwaartepunt ligt over dertig jaar in China en India, het gaat daar zo hard. Wat zie je nu hier? Polen komt erbij en het parlement verzint dat we de eerste jaren die Polen maar buiten moeten houden. Zoiets gaat dwars tegen de afspraak van vrij verkeer van mensen in. Er is teveel een houding van bedreiging, van wantrouwen.Om het optreden van rabiate mensen te beperken moet je voorkomen dat hele gemeenschappen zich geïsoleerd voelen. Wanneer je het debat met elkaar niet uit de weg gaat kunnen extreme minderheidsclubjes eerder vanuit eigen kring worden aangesproken. Als je ziet hoe in landen als Egypte en Saoedi Arabië jongeren zonder werk en zonder enig perspectief leven en je faalt om daar met z’n allen veranderingen in aan te brengen dan ploft dat natuurlijk, dan heb je een kruitvat. Een Palestijn die al dertig jaar lang in een vluchtelingenkamp woont en die weet dat hij over twintig jaar nog in dezelfde ellende zit heeft weinig te verliezen. Dat heeft ook met Nederland van nu te maken. Het mag daar niet eeuwig zo doorgaan. Over en weer zijn er in die landen ook verstandige mensen. Ik ben er niet zo erg pessimistisch over. Binnen vijf jaar zullen er in het Midden Oosten waarschijnlijk wel veranderingen optreden, die ouwe knarren daar sterven ooit eens een keertje uit.

Mensen vinden jou nogal stellig, twijfel je wel eens?
Dat heb ik niet altijd zo in de gaten, zo word je door schade en schande wijzer. Vaak wanneer ik ergens aan twijfel dan begin ik daarop te broeden. Ik ga me concentreren, me oriënteren, me informeren, nadenken en erover praten. Soms heb ik tegenargumenten van te voren doorgewerkt. Als m’n mind eenmaal is opgemaakt dan ben ik moeilijk van m’n stuk te krijgen. Dat lijkt misschien dwingend of zelfs bijna overheersend.

Mijn grootste verlies is dat van mijn vriendin Petra. We hebben elkaar leren kennen
in 1976 bij de actie om de anti kraak-wet tegen te houden. In De Volkskrant las ik een interview, ik dacht, hier is iemand die zich met kraakzaken bezig houdt, dit lijkt me een goeie. Wij hadden juist een jurist nodig. We kregen een sprankelende relatie. In 1990 is zij overleden. Dit verlies verwerken heeft lang geduurd en gaat nooit helemaal over. Een van de onrechtvaardigheden in het leven vind ik dat je niet kan zeggen: ik heb nog twintig jaar en daarvan geef ik jou de helft, ik zou dat onmiddellijk gedaan hebben.

Wanneer ga je een boek schrijven?
Nee boeken schrijven dat kunnen anderen beter dan ik. Laat mij nou maar gewoon blijven proberen om sommige dingen te veranderen. Laat mij nou maar m’n ideeën voor elkaar proberen te krijgen, Amsterdam zou een voorbeeldfunctie kunnen hebben. Terwijl Amsterdam toch al volgens velen de fijnste stad op aarde is? Dat is aardig onder druk komen staan, er zijn nog zoveel mogelijkheden om de stad te verbeteren maar je moet daar voordurend heel erg je best voor blijven doen.

Familie Bijlsma

Dit interview is voorjaar 2004 afgenomen en verscheen in OpnieuwNu.
De digitale editie is hier te vinden:
http://www.opnieuw.nu/html/page.php?page=78