Toespraak Geert Mak

VOOR AUKE – 30 MAART 2012

Dames en heren,

Onze Auke was – het kost me moeite om het woordje ‘was’ uit te spreken, als het om Auke gaat, zo sterk is hij nog aanwezig in ons leven, en in onze stad – onze Auke was een bioloog, een stadsmens, een milieuactivist, een koppig partijlid, een uitgevlogen Fries, een ras-Amsterdammer, een strijder, een onderhandelaar, een eeuwig trouwe vriend. Uit die combinatie groeide de bijzondere man die we vanmiddag herdenken. Al die uiteenlopende eigenschappen van Auke, al die verschillende rollen waarin we onze vriend hebben meegemaakt, ze botsten niet met elkaar zoals dat vaak gebeurt, maar ze versterkten elkaar juist, tot de Auke die we hebben gekend, de ‘lieve bevlogen Friese eik’, zoals Lodewijk Asscher het zo treffend zei.

Zijn oudste vrienden hier kenden Auke vooral als bioloog. De Amsterdammers maakten hem mee als een gedreven actievoerder voor het behoud en herstel van zijn eigen Nieuwmarktbuurt, en later als de nestor van de gemeenteraad. In Brussel en Den Haag had hij ondertussen een dubbelleven, bij het NWO, als specialist in zee-onderzoek. Hij leefde in een haat-liefde verhouding jegens de PvdA, tegelijk was hij een trouwe sociaal-democraat. Voor zijn familie en zijn Friese vrienden bleef hij, daarbij, ook altijd de  jongen uit Sexbierum, de jongen van vlak achter de dijk.

Vandaag praten die Friese torens met elkaar over Auke, zoals Obe Postma, de grote Friese dichter, ooit schreef.

‘Hear dy lange skraits fan Sexbierum ris – sil ien sizze – dat is foar dy soan fan ????,

‘Hoor die lange pier van Sexbierum eens – zal er een zeggen – dat is voor die zoon van ??  ??

En Jorwert en Schraard en Allingawier houden hun oude hoofden roerloos,

Maar Wons staart op de oude meester beneden en Harmen Wiebes, en Idsegahuizum en Piaam hebben duizend zachtgouden uren voor zich.

En als het weer stil is, en Sexbierums hoofd bonst niet meer zo,

Dan zal hij zeggen: bij mij komt hij vandaan, bij mij komt hij terug.’ 

Ja,  Auke kwam terug, altijd waarheen zijn weg ook ging, en al was zijn toren niet meer die van de Sixtuskerk maar die van deze Zuiderkerk, waar hij ieder nieuwjaar de oudste klok van Amsterdam hielp luiden – uit bijgeloof, zei hij zelf, zijn enige bijgeloof, omdat hij bang was dat het anders niet goed zou komen met Amsterdam. Hij kwam terug omdat hij het dorp meenam naar Amsterdam en daar als het ware zijn eigen dorp om zich heen schiep: de Nieuwmarkt.

Auke heeft als buurtactievoerder een grote invloed gehad, die naar mijn gevoel veel verder reikt dan enkel Amsterdam. Hij was, in bepaalde opzichten, een buitenparlementaire Jan Schaefer. Ten eerste omdat hij volhield, hij protesteerde niet alleen, maar ontwikkelde alternatieven, en hielp ze ook uitvoeren, met eindeloos geduld. Maar ook omdat hij, door zijn afkomst, op een bijna natuurlijke manier teruggreep op andere samenlevingsmodellen dan het betonnen functionalisme dat in de jaren zeventig hoogtij vierde. Hij wist dat het ook anders kon, en hij droeg dat op een overtuigende manier uit.

Ook de biologie heeft, denk ik, een grotere invloed gehad op zijn manier van denken en werken dan we ons vaak realiseren. En dat gaat veel verder dan zijn verzet tegen de aanleg van IJburg, zijn geveltuinenprijs of zijn ijveren voor de redding van de Amsterdamse gierzwaluwen. Ook in zijn stadsfilosofie hoorde je niet alleen de activist Auke spreken, maar net zo goed de bioloog Bijlsma. De stad, en zeker de buurt, was voor hem niet een systeem van gescheiden economische functies, maar een organisch geheel, met straten waar mensen tegelijk woonden, werkten, speelden, leefden en liefhadden. Inderdaad, een stad en tegelijk een dorp, en een ecosysteem.

Auke heeft veel bereikt. Hij, en zijn innig geliefde Petra, voerden tot het laatste toe als motto: ‘Laat de aarde iets mooier en iets beter achter, dan toen je haar vond.’ Nog in zijn laatste weken klaagde hij dat niet alles af was – nee, Auke, nooit is alles af. Auke had een open oog voor alles en iedereen, maar ja, al die goede eigenschappen hadden ook een keerzijde. Hebt u wel eens achter Auke aan, tijdens het spitsuur, door de Amsterdamse binnenstad gefietst? Ik kan u verzekeren, dat was een bijzondere ervaring, vooral als je haast had: Auke geselde zich een weg door het verkeer, hij was niet te stuiten, veegde alles opzij wat in zijn pad kwam, het was bij tijd en wijle levensgevaarlijk, en wat een tempo. Ja, dat was Auke ook – een doordrammer, en hoe. Van hem leerden we, allemaal, op onze eigen manier: ‘Geef het nooit op.’ 

Als je Auke een politicus noemde werd hij heel boos, alsof je zijn onafhankelijkheid en integriteit in twijfel trok. Ik denk dat die reactie te maken heeft met de bijzondere overstap die hij begin jaren negentig maakte: hij, een boegbeeld van de buitenparlementaire actie, sloot zich aan bij die gevestigde PvdA. Ik stond ernaast toe hij dat formulier in de bus mikte: ‘Nou, ze kunnen me in elk geval niet van opportunisme betichten,’ gromde hij, want de PvdA stond er op dat moment weer eens bar en boos voor. Pas achteraf besefte ik dat het een historisch moment was, geheel in Auke’s Friese traditie: bij de rode brievenbus in de Anthoniebreestraat sloot Domela Nieuwenhuis zich aan bij Pieter Jelles Troelstra.  Ja, Auke was een Troelstra-man, een klassieke sociaal-democraat, die zich ongenadig vastbeet in de huidige PvdA. Ze hebben het geweten.

Auke bezat in dit alles een eigenschap die tegenwoordig vrij zeldzaam is, zeker in de politiek. Hij had karakter. Mensen met karakter zijn niet zo gemakkelijk. Het zijn nooit pleasers Ze maken keuzes, en daar houden ze zich aan. Ze verantwoorden zich, ook jegens hun oude ik. Auke heeft honderden gevechten gevoerd, maar hij had bijna geen vijanden. Dat zal daarmee te maken hebben gehad.

Auke was moedig, hij was heel moedig. Dat hoorde zo bij zijn karakter dat het bijna vanzelfsprekend was, hij zou het zelf niet eens moedig noemen. Tot in de laatste weken had je niet het gevoel dat je bij een patiënt op bezoek was. Hij kon geen veer wegblazen, maar het ging ergens over. ‘Een buurtdag onder het thema ‘Leve het verschil’, moeten we dat niet eens organiseren? Ik zal je morgen een opzetje mailen.’ Hij kon toen al geen letter meer tikken.

Klagen was er niet bij – ‘Nou, dat jeukt niet,’ zei hij, meer heb ik hem nooit over zo’n pijnaanval horen zeggen. Voortdurend vertaalde hij zijn zorgen in meer algemene termen, voor iedereen: zijn traplift werd een case-study voor hulp aan invaliden, zijn verblijf aan de Overtoom het begin van een actie om dit mooie revalidatiecentrum te redden.

Zijn ziek-zijn, zijn voortdurende confrontatie met zijn sterfelijkheid, gaven Auke, mede, de openheid en helderheid die hem zo uniek maakten. ‘Het is gek,’ zei hij tegen me, in ons laatste gesprek, ‘Die ziekte, die kanker, heeft me ook enorm voortgejaagd. Toen ik het voor de eerste keer kreeg, in de jaren zeventig, hoorde ik al die mannen op de ziekenzaal klagen dat ze van hun leven eigenlijk niets hadden gemaakt. Ik dacht: dat zal mij niet gebeuren.’

Dat is hem gelukt, en hoe. Ik zit op het terras van de Nieuwmarkt en ik kijk om me heen. Al die uitgekiende sociale woningbouw: Auke! De Flesseman: Auke! Het intieme Zuiderkerkhof met zijn waterval en zijn mooie bomen: Auke! Een vader die voetbalt met zijn zoontje op een autovrije Nieuwmarkt: Auke! Overal staat, op de achtergrond, het stempel van die drammer op die fiets, die lieve, bevlogen Friese eik.

Auke was onze vriend, hij was een groot vriend, een echte vriendenvriend. Aan het eind van zijn leven liet hij veel van zijn vrienden door Martijn van der Molen fotograferen, prachtige portretten, en de laatste maanden, toen hij wist dat hij niet lang meer te leven had, kregen we die van hem cadeau. In een klein ritueeltje gaf hij al zijn vrienden als het ware zichzelf terug. Dat was een mooi gebaar, maar het was ook verwarrend. De portretten zijn nu allemaal weer bij ons, de geportretteerden, de cirkel is weer rond, maar zonder Auke. Onze gezichten staan bij ons thuis tegen de muur, wij kijken naar onszelf, en naar deze stad en deze wereld, zonder hem. Er is iets verdwenen, iets heel belangrijks.

Het verlies is immens. Maar Auke blijft: in de gierzwaluwen boven de oude stad, in het licht boven het Wad, in die voetballende vader, in de klokken van deze kerk, in het leven van ons allen dat hij zo innig liefhad.